Tab Gemeente Coevorden
Terug naar zoeken
Johan Picardt

Korte beschryvinge der Stadt, des Casteels en der Heerlickheyd Covorden

Type:
Geschiedenis
Kern:
Coevorden
Kenmerken:
Gebeurtenis
Periode:
Van prehistorie tot de middeleeuwen, Middeleeuwen, 16e eeuw, 17e eeuw

Door Dr. Johan Picardt

Met ’t verhael eniger gedenckwaerdige saken die nu en dan zijn gepasseert.

Coevorden is een zeer oude gestichte, bij in en uitlandse historieschrijvers zeer bekend en vermaard, en zulks vanwege de veelvuldige oorlogen die voor en naar wegen Covorden en omtrent Coverden zijn voorgevallen.

Daar is geen stad, geen vlek, geen kasteel binnen de Kreyts van alle verenigde Nederlanden, die meer belegeringen, uitplunderingen, innemingen, verbrandingen, verwoestingen uitgestaan heeft als Coevorden. En deze onheyten (dit onheil) hebben niet eerst begost ten tijde van de Nederlandse troubelen maar hebben al enige honderd jaren te voren geduurt onder de bisschoppen van Utrecht, alle omliggende landen in vrede zaten.

De oorzaak van deze pernicieure (gevaarlijke) krakelen was deze. De Heeren en Burggraven van Coevorden waren vrije leenmannen van de bisschoppelijke stoel, waarvoor zij grote sommen geld gegeven hadden. Zo wanneer nu nieuwe bisschoppen verkoren wierden, of dat die burggraven gestorven waren, zo viel er doorgaans krakeel tussen de bisschoppen en burggraven: want de bisschoppen wilden de burggraven verstoten of zij wilden meer van haar hebben als zij verstonden gehouden te zijn: en hieruit rezen oorlogen vermits de burggraven Heren waren van groot vermogen, aanzien, aanhang en afkomst, alzo dat zij zich van de bisschoppen niet wilden laten onder de neus kittelen (laten bedillen).

Covorden is een poort van de landschap Drenth, een sleutel van Groningen en ommelanden, een deur van Friesland en ook enigermate een pas naar Overijssel. Dit hebben voortijds wel geweten die selvige, die het harnas om (ten behoeve van) Coevorden hebben aangetrokken en om’t zelve zulke zware oorlogen gevoerd.

korte beschryvinge door Dr. Johan Picardt
korte beschryvinge door Dr. Johan Picardt

De naam Coevorden

Dat de naam Covorden afkomstig en denominatie (afgeleid) zou hebben van Loo of Coyen, zulks neem ik nimmer aan, want daar men Coyen (koeien) uit en in drijft, daar moeten immers mensen wonen. Waar ter plaatse nu, dat een buurt en gezelschap van huizen en mensen is, die heeft altijd en eigen naam, al zou die ook genomen worden van de eerste bewoner. Belachelijk is het zo wanneer Wilhelm Heda een kanoniek tot Utrecht geleefd hebbende anno 1496 en daarna, Coevorden noemt Vaccaeferum, ’t welk zo wanneer de schooljongen gedaan hadde, zo had hij een handplak verdient: want zo wanneer men de nomene propria (eigennaam), of bijzondere namen van landen, steden en geslachten, in andere spraken zou willen overzetten, zo zouden een groter confucie ( verwarring) ontstaan als er to Babel om de verwarring der spraken ontstaan is en een iegenlicke (menige) stad, land en dorp zou menige verscheidene namen ontvangen, als er verscheiden spraken zijn en men zoude Holland noemen Cavan terram in Latijn; en Zeeland Marris terran; wie zoude deze worden kunnen verstaan: en zo wanneer dez auteur de naam van coevorden in Latijn had willen stellen zo had hij ’t niet behoren te noemen Vaccaeform want dat is zo vele gezegd (wil zoveel zeggen) als de coemarkt naar Vaccaetrajecten, dat is een Coo-vaert (koeoversteekplaats).

Doch overmits de oudste en eerste burg van Covorden een frontierhuis (grenspost), geweest is van de Romeinen, in de tijd dat Drenthe krielde (krioelde) van de Romeinen, so ben ik in dat gevoelen, dat de burg Coevorden voor en aleer daar nog een vlek of stad was zijn oorsprong en naam ontvangen heeft van ene hierlandse Heren, die de Romeinen in haar historie befaamd gemaakt hebben. Mijn bedenkens en zoude niet vreemd zijn te geloven, dat dit Covorden de vermaarde oudfrenkse villa Cruptericis is, waarvan de roomse scribent (romeinse Schrijver) Tacitus schrijft, Lubrs annalium waarin 400 Romeinen van de Friezen werden dood geslagen ter tijd als zij werden gaande gemaakt en vergramd door de Romeinen en wilde Romeinen offeren dat eisen en invorderen van wilde ossehuiden want dit maakte de Romeinen zo bitter omdat er nog 900 van haar door de Friezen kapot gemaakt werden, omtrent (nabij) het Broek Baduhenna en deze plaats acht ik te zijn Wanneperveen want de Romeinen gebruikten geen w maar in plaats van een w de b en wat is Wannepvenne anders dan Baduhenna, Badhuvenna? En deze heerschap omtrent welke hofstede die 400 Romeinen ter neder gelegd werden, hebben de kromtongende Romeinen, die de hierlandse namen also niet en kosten uitspreken, gelijk hier de manier was, genoemd de Cruptor of Cruptoriek meen ik te schuilen (verschuilt zich) de hierlandse naam van Covorden des te meer vermits men in oude tijden, volgens sommige historien, Covorden genaamd heeft Kuffort, zet er nu een r voor de u so hebt gij Cruffort. Also dat die villa Cruptoris anders niet en is als de hofstede van Covorden.

Versterking, burcht of kasteel

En al was het schoon, dat men niet en wist dat Covorden een zeer oud gesticht was, zo oud dat men evenwel zulks met een gezond oordeel daar uit alleen kon afnemen (afleiden), dat er in alle omliggende provincies en lande geen plaats en is die gehouden mag worden voor een sleutel van drie onderscheidelijke provincies als Covorden. En op zodanige plaatsen geoccupeerd (bezet) zijnde van de Romeinen hebben zij altijd Kastelen en burgen geleid tot bescherming der frontier (grens) en tot securiteit (zekerheid) van haar: Ja, zij hebben ’t altijd gehouden voor een maxime van haar heerschappij en zulks nimmer verzuimd. En vermits de Romeinen ruim vierhonderd jare in Drenthe gedomineerd hebben, wie zou geloven, dat zij zo zorgeloos geweest zouden zijn, om de in- en uitgang van deze provincie wel te verzekeren met zeer vaste burcht. Het gemeyne-landhuis, dat men heden ten dage nog op ’t kasteel ziet, is maar omtrent 135 jaren oud. Anno 1364 is een ouder kasteel van Heer Johan van Arckel afgebroken en de oude steen van daar naar Hardenberg gebracht tot opbouw van kasteel en dwingeland tegen Covorden en de Drenthen. En wie weet hoe oud dat dat oude afgebroken kasteel wel geweest is: Ik wil gezwijgen, dat de hele onderste grond, waarop dit tegenwoordige kasteel gebouwd is, zeer diep in de grond anders niet en is als louters steenhopen van menigerhande kastelen, die voor en na zijn afgebroken en wederom opgebouwd.

En voorbijgaande de vele rariteiten en antiquiteiten die men in de Kasteelsgracht herhaaldelijk gevonden heeft, als zij verdiept of verwijderd (verbreed) werden zijnde deselvige zeer oud, vreemde en voor de tegenwoordige eeuw ten enenmale onbekend: zo heeft men een antiquiteit aldaar gevonden, die de alleroudste en vreemdste verre te boven gaat. In het jaar 1607 heeft men zeer diep in de grond van de kasteelgracht gevonden een zeker rond glaasje zeer doorluchtig, waarin enige vettigheid was zijnde zeer dik en tap. En dat mij dit glaasje omstandelijk is beschreven van een verstandig man zo heb ik ’t daar voor gehouden, dat daar in geweest is een brandend lichtje, zoals men die gevonden heeft in verscheidene plaatsen in zeer oude heidense begrafenissen van machtige potentaten en welk lichtje vele honderde jaren gebrand en enig licht van zich gegeven heeft: zijnde een van de oudste en raarste en (zeldsaamste) wonderen, die men op de wereld vindt. Dit glaasje is gevonden aan de zeer vermaarde oude Paleidanum ’t Enkhuizen, die het altijd voor een van zijn voornaamste en precienseste antiquiteiten ( kostbaarste oudeheden) en rariteiten gehouden heeft.

Voorts zo geeft de naam van Covordt, Cofordt of Covardt te kennen dat van ouds aldaar een vaert geweest is op ’t Latijn genaamd trajectum, welke men heeft moeten passeren eer men binnen Covorden heeft kunnen komen: gelijk daarvan alle stede hare namen hebben, die op voort of vaert uitgaan (eindigen), als Franckvoort, Amersfoort, Steynvoort, Brevoordt. En gelijk de bisschoppelijke burggraven, omtrent van het jaar duizend af, op dit kasteel hare residentie gehouden te hebben, zo is het ook zeer geloofwaardig, dat voor doe selvige die Frankse stadhouders en voor deze Roomse stadhouders met enig garnizoen, aldaar hare residentie gehouden hebben. Deze burgt is voortijds met een hoge muur omsingeld en met hoge en dikke torens voorzien geweest die grote ferce (veel geweld) hebben kunnen uitstaan welke eerst van de bisschoppen zijn afgebroken en gedemolieert (verwoest) en daarna van andere. Buiten ’t kasteel naar de stadzijde heeft gelegen een voorburght in welke het gemene gezinde (’t werkvolk) der burggraven en maarschalken, dezegelijks paarden, koeien en wagens gelogeerd ware. Zo is alles aldaar verandert door verloop van de tijd.

Stad Coevorden en haar ouderdom

Aangaande de stad Covorden die werd door redelijke oude scribenten (schrijvers) somtijds genaamd de stad, somtijds een vlek. Hoe komt dat: Evenmits dat zij wel van ouds een stad geweest is en stadsprivilegien gehad heeft, maar dan is verwoest dan wederom opgebouwd en na dat opbouwen is zij wederom verwoest, verbrand en verkeerd (verwoest).

De vermaarde Utrechtse schrijver Horrentius die al lange voor 100 jaar geleefd noemt Covorden een stad. Hamelmanes superintendant van Oldenburg noemt Covorden een oude stad. De geschiedschrijvers die voor 500 jaar geschreven hebben vermelden dat Covorden ten tijde van de Bisschop Herbertus anno 1125 een stad geweest is. Gerhardus Noviomagus zegt dat Covorden anno 1206 al geweest zij een stad ouder dan Keizer Otto II, de grote en oudste kroniek van Holland zegt also: De bisschop Herbertus had 2 broers die hij begeerde groot te maken tot grote schade en achterdeel (nadeel) van het bisdom de ene broer Liffrydt gaf hij te leen te houden van het bisdom, het burggraafschap van Groningen, maar de andere, dat kasteel Inschap van de stad en burg tot Covorden want daar tevoren plegen de bisschoppen of haar maarschalken de heerlijkheid zelf te berechten (zelf recht te spreken) dat hen niemand hindernissen of moeite en dede. Zoverre de kroniek. Waaruit dan klaarlijk (duidelijk) blijkt, dat omtrent voor zes en half honderd jaar (zeshondervijftig jaar geleden = anno 1000) Covorden geweest is een burgt en een stad met haar geprivilegeerde burgerij, regering ingezetenen en aankleven van dien.

Boven dat is de stad Covorden al met een wal en gracht omsingeld geweest; lang van te voren eer de hertog van Gelre of koning van Hispanje of de H.M. (Hoog Hogenden) Heren Staten Generaal een schop aldaar in de aarde gezet hebben om de stad te versterken : also dat de burgerij aldaar dikwijls een hoop volks heeft buiten gekeerd: want zo wanneer enige troubele tijd (duistere tijden) ware zo hielden de burgers altijd de wacht bij dag en bij nacht.

De ouderdom van de stad is ook te herkennen uit de drie onderscheiden boven elkaar liggende straten. Wat deze hedendaagse straten zijn niet oud, maar naar de laatste fortificatie geleid van blinten, gehaald van de Hunso en elders : maar onder deze straat ligt nog een tweede en onder die een derde, waarvan de oorzaak is de veelvuldige verbrandingen en destructie (verwoesting) van de stad.

Kerken

Verder heeft Coevorden vroeger gehad 2 kerken waarvan de ene gestaan heeft buiten het tegenwoordige Contrescherp in het westen der stad die toen genaamd werd “de oude kerk”, rondom met mooie hoge eikenbomen beplant, op welks kerkhof de doden vanouds werden begraven. De ander is genaamd geweest de “nieuwe kerk” en heeft gestaan ter plaatse daar anno 1641, dat schone gebouw dezer tegenwoordige kerk gebouwd is. En deze kerk acht Aflaten te zijn dezelfde, die omtrent voor 148 jaar van de van Paul Julius II verbouwd en gerepareerd is geworden, en heeft van die tijd af de naam behouden van “nieuwe kerk”. Deze twee kerken hebben voortijds binne de stad gestaan en zijn nog voor 94 jaren in redelijke staat geweest, also dat er nog in beide dienst is gedaan. Maar zijn in de troubele tijden verwoest en verbrand. De burggraaf in die tijd van Coeverden was de 14e vrije leenman van de bisschop. ’t Welk in die tijd een grote waardigheid was, vermits (daar) onder de vrije leenmannen vorstelijke en grafelijke potentaten ware also dat men daaruit afnemen kan, dat die Here van Covorden in de oude tijden geweest zijn van grote macht en autoriteit, waarom dan ook enige bisschoppen hare eigene broeders en naaste verwante tot deze waardigheid bevorderd hebben.

Gelijk zij dan ook hier en daar zeer grote en zeer treffelijke goederen gehad hebben, also dat zij ene graafelijke staat hebben kunnen houden; doch deze heerlijke goedere zijn door menigvuldige veranderingen, die alle wereldlijke zaken onderworpen zijn, onder andere provincies, potentaten en geslachten geraakt, also dat de decendenten (afstammelingen) van de Heren van Coevorden weinig daarvan zijn verbeterd. (beter zijn geworden)

Doch bevindt ik dit zo wanneer de Bisschoppen enige keren van Covorden wegens enige prententies gedepossideerd (onteigend) en andere wederom met deze Heerlijkheid beleend hebben: dat die altijd hare (eigen) geslachtsnamen hebben verlaten en hebben de naam van Covorden aangenomen al ware zij uit en ander hoog adelijk huis en geslacht geboren.

Saelstede

Doch het voornaamste merk en kenteken der oudheid van Covorden met al datgene dat daar bij hoort, blijkt uit de naam van Saelstede, die nu genaamd worden Solstede of Saltsteden, die tot Covorden voor onverdencklijke (ondenkbare) tijden also zijn genoemd en in gebruik geweest; zijn ook alsnog zo genoemd, maar niet meer in die betekenis als in oude tijden. Als de Frankische heerschappij eerst zijn oorsprong nam in Salland en naastgelegene landschappen waarvan gewag is in de 17e Dist. van dit boek, toe werden de burgers en adellijken van de confedereerde edelen (bekende) genaamd Salen, Saalhoven, Saelsteden. Nu is Sallandt niet ver van Covorden gelegen als omtrent drie kwartier gaans. En de naam van Saalstede duurt (wordt gebruikt) nog tot aan Covorden. En tot Covorden is vanaf zeer oude tijden een oude burgt geweest, bewoond en beheersd door oude heren en machtige Edelen: Wie zou dan kunnen verzaken (ontkennen) of de Covorden burgt in oude tijden een Saelstede van een dezer geconfereerde Frankische Heeren is geweest, die zich tegen de Romeinen heeft gekant en de Frankische heerschappij heeft helpen bevorderen.

Hierom is mijn gevoelen, gelijk in oude tijde alle landerijen gelegen rondom oude Prinsen, Graven en Heeren burgten altijd het eigendom geweest is van de burgten en hare erfheren al zijn ze wel vaak door velerlei middelen veraliereerd (samengevoegd).

Dat ook alzo alle landerijen gelegen rondom Covorden zeer oude tijden in eigendom zijn geweest van een Heer van Covorden en dat deze Covordse burgt, met al zijn toebehorende landerijen totaal genomen, genaamd geweest zij de Saelstede of Saelhof van Covorden.

Doch zoals men bevinden zal, waar ter plaatse enige oude machtige burgten, dat zich mettertijd enige lieden op dezelfde plaats zullen vestigen en vermeerderen also dat een buurt zal veranderen in een dorp, in een vlek en eindelijk in een stad.

Alzo is het gegaan met Covorden: de burgt is van ouds geweest ’t eerste en oudste van Covorden op dezelfde plaats hebben zich enige “gemene” lieden (burgers) gevestigd, die zich mettertijd hebben vermeerderd: en deze aldaar wonenden en zich moetende naar deze landswijze generen (moeten aanpassen); hebben van de respectievelijke Heeren van Covorden verkregen het Recht, of gelijk zoals men het hier noemt, de Gerechtigheid : waaronder voortijds onderscheidenlijk privilegiën begrepen zijn, die de oude wettige burgers van Covorden met de eigen geërfden van de Landschap Drenthe gemeen hebben gehad: en deze verschillende gerechtigheden zijn genaamd geworden Saelsteden die men heden ten dage noemt Soltsteden, zijnde al tezamen jonge, uitgebroed uit een oude, welke altezamen, totaal gezien evenwel niet meer als een oude Frankische Saelstad heeft kunnen uitmaken, als gelegen binnen een district van de Heerlijkheid Covorden.

De beide Ewalden

Anno 730 na de geboorte van Christus, heeft Marcellinus voordat St. Willibrordus Bisschop van Utrecht werd tot in Covorden het Evangelie, of de leer van de enige en waarachtige God en zijn zoon Jezus Christus gepreekt. En in deze tijd waren alle Covordenaren nog goddeloze heidenen geweest en dienden de duivel en deden zijn werken. St. Marcellinus heeft al zijn vlijt aangewend om de afgoderijen uit te roeien en de kennis van de ware God te doen triomferen. Op deze St. Marcellinus zijn gevolgd door de twee Ewaldi beiden Engelsen, maar van “hierlandse” ouders in Engeland geboren, welke beiden gekomen zijn tot Covorden en hebben aldaar Jesus Christus gepredikt en de heidense superstitie (bijgeloof) uitgeroeid.

De ene is een blanke man geweest maar de andere een zwart daarom hebben de ingezetenen de ene genoemd de witte Ewoudt en de andere de zwart Ewoudt. Dezen gepasseerd zijnde door Covorden gekomen en ’t Laer, zijn aldaar zo niet bejegend als in Covorden, maar door de ingezeten zijn aangetast (aangegrepen) mishandelt, doodgeslagen en wegens de bestraffingen van haar heidense superstitien (bijgeloof) jammerlijk gemarteliseerd (gemarteld).

Anno 780, heeft Carolus Magnus, in kwaliteit als koning van de Franken of van Frankrijk, en niet als Roomse keizer, alle heidense bijgeloven hier laten verbieden predikers aan te nemen en niet te attenderen (niet keren) tegen het christelijk Geloof en zulks op hoge straffen.

Anno 808, heeft Godefridus, koning van Denemarken zijn zoon Olaum over zee met een buitengewone grote scheepsvloot herwaarts gezonden, die geheel Friesland heeft bezet, Drenthe verwoest, Groningen verbrand, de Hunze verwoest en alles wijd en zijd in de as gelegd: ’t Is zeer geloofwaardig dat in die tijd Covorden mede zijn beurt deel gehad heeft vermits (aangezien) dat dezelfde in die tijde enen van de bekendste plaatsen was van dit ganze land. Alzo nu in deze tijd het gansche landschap Drenthe door de koningen van Frankrijk gedevolveerd was op de Roomse keizers hetzelfde stuksgewijze geschonken hadden aan de bisschoppen van Utrecht, onder welk landschap Drenthe mede resorteerde de heerlijkheid Covorden, zo hebben hier altijd de bisschoppen tot Havelte in West-Drenthe van de steden der Landschap laten huldigen als Heren van Drenthe en in de Kapel van Hulsvoort gelegen in die tijd onder de Heerlijkheid van Covorden, gelegen tussen Covorden en Dalen bij Noorden (noordelijk) van de Gelderse schans, als Heren van Covorden.

Stad van strijd

Anno 1050, heeft geleefd en binnen Covorden zijn Hof gehouden Heer Ludolf, burggraaf van Covorden, maarschalk van Drenthe: Doch deze is door de bisschop gedeporteerden in zijn plaats gesteld des bisschops Herberts broeder Heer Ludolf van Bierum.

In de jaren 1130, 1140, 1150 en 1160 is Covorden geweest een zeer neringrijke plaats. De handel en commercie op Holland en ging te dier tijd nog niet in zwang. Alle handel het sticht Munster en graafschap Bentheim, en andere landen was op Groningen en de Groningers handelden sterk in die landen. En dit geschiedde al met wagens en karren, getrokken wordende meer door ossen dan door paarden: want men in die tijd van de scheepvaart weinig wist te zeggen (omdat er in die tijd weinig scheepvaart was). En deze passage moest noodzakelijk door Covorden, alwaar van alle doorgaande waren zekere tol aan de burggraaf gegeven moest worden, welk tol zo zeer gesteigerd is door Heer Floris van Coevorden, dat Graaf Otto van Bentheim zich eindelijk tegen hem gekant heeft tot voorstand van zijn onderdanen: Waardoor dan Heer Floris van zijn leen is ontzet, waaruit bittere oorlogen zijn ontstaan, waarvan in de voorgaande annales gewag is gemaakt.

De eerste belegering, waarvan men enig bericht heeft, die Covorden heeft uitgestaan, is voorgevallen omtrent het jaar 1197 te welker tijd bisschop Balduwijn, Broeder van de Graven van Holland en Bentheim, Covorden vijandelijk heeft aangetast, bestormd en ingenomen, alzo dat Heer Floris de burggraaf en zijn zoon Volckhardt, hebben moeten de vlucht nemen. Kort daarna is Heer Volckhardt, geassisteerd en ondersteund van de van de Groningers en Drenthen, gevallen op Covorden en heeft aldaar verwoest en verbrand alles wat de bisschop toebehoorde. En daarmee nog niet tevreden zijnde heeft met enig volk het kasteel met verrassing genomen, daarbij gevangen nemende de gravin van Bentheim als gemalin van Heer Otto, graaf van Bentheim, Maarschalk van Drenthe en burggraaf van Covorden. Alzo nu het vuur dezes oorlogs hoe langer hoe meer ontstak tussen de bisschop enerzijds en de burggraaf van Covorden evenzo Drenthen en Groningers anderzijds, zijn tot Deventer verschenen de aartsbisschoppen van “Ceulen”en “Meints”, om vrede te maken tussen deze oorlogende partijen doch alle moeite is vergeefs geweest.

Kort hierna werd de bisschop met zijn ganse Heer (leger) omtrent Covorden, van de burggraaf van Covorden en de Drenthen in de route geslagen. Daar werden 100 edellieden van het bisschops volk gevangen genomen, en daar bleven 30 dood. Doch de bisschop valt met zijn resterende volk in de Veluwe verwoest en verbrandt alles waar hij komt, overmits de graaf van Gelre de vijanden van bisschop tegen de bisschop oprokende (opstookte). Inmiddels belooft de keizer de bisschop hulp tegen zijn vijanden en zendt een scherp dreigementschrift aan de Steden van Drenthe. Maar de bisschop sterft tot Meints.

Anno 1218 is er wederom een nieuwe vinnige oorlog ontstaan tussen de bisschop Otto van der Lippe en Heer Ludolf van Covorden geassisteerd door de Drenthen. De bisschop een machtig Heerleger hebbend en vergezeld van vele en machtige potentaten zowel geestelijk als wereldlijke er gekomen zijnde op Gramsbergen geraakt met zijn volk in de weke en moerassige landen, welker natuur haar onbekend is en wordt daar over van Heer Rudolf en de Drenthen in route geslagen. Daar blijft de bisschop dood met 500 man. En de verloren bisschop wordt weer gevonden in een moeras, doodt, zeer mismaakt, zijnde zijn hoofd met vlakzwaarden gelijk gevild. De graaf van Gelre, met vele andere potentaten worden daar gevangen en naar Covorden gebracht. En de overwinnaars bekomen een treflijke (flinke) buit.

Kunstwerk hal gemeentehuis Coevorden over de Slag bij Ane
Fragment mozaiek J. Steenbeek in het gemeentehuis Coevorden over de Slag bij Ane

Heer Wolbrandt, Graaf van Oldenburg, bisschop van Utrecht, grote ondersteuning krijgend van de keizer Paus en alle omliggende potentaten, komt met een koninklijke furieus leger in Drenthe niettegenstaande groot tegenweer (verzet), en gaat aldaar onbarmhartig te werk. Doch Heer Rudolf van Covorden moet desisteren (afstand doen van) al zijn Digniteten (waardigheden) en Covorden wordt voor de bisschop ingeruimd en de Bisschop licensieert zijn volk.

Kort daarna komt Heer Rudolf en krijgt met pracktijk het Kasteel van Covorden, weer in zijn macht en slaat doodt al wat hij daarin vindt. Dit ontstelt de bisschop zeer, die in grote schulden stak wegens deze zware oorlogen.

Anno 1228 komt de bisschop Wolbrandt van de Paus en omliggende Potentaten wederom met een nieuwe Armada (leger) op de been geholpen zijnde, met de vorst om niet wederom in het moeras te verzinken, dicht onder Covorden om datzelfde stormenderhand in te nemen. Doch daar ontstaat een verschrikkelijk onweer met een zware stortregen en dooi, alzo dat de bisschop vluchten of verdrinken moet. Dat gaat aan het loop: en hier blijft alles van de bisschops bagage (de bisschop moet alles achterlaten). De dappere Heer Rudolf en zijn victorieuze Drenthen bekomen wederom zeer grote buit.

De bisschop wederom een Armeijie (leger) op de been gebracht hebbenden, en op het kasteel ten Hardenberg zijnde om Covorden te bestoken resolveert (besluit) Heer Rudolf in persoon zelf zich voor de bisschop te presenteren en met dezelfde in alle minne te accorderen (in de minne te schikken . hij komt bij de bisschop en de bisschop laat hem met zijn Raadsman, Heer Hendrik van Gravestorp gruwelijk pijnigen en daarna beide levend op het rad leggen. De dappere cavalier had wel verdiend beter en eerlijk getracteerd te worden. Doch deze daad is de bisschop ook bitter opgebroken.

Anno 1231, als de Drenthen de stad Groningen belegerd hadden, komt de bisschop Wolbrandt wel met Heerleger voor Covorden waar hij zeer verbitterd was. Hij neemt in de stad en zijn voorburgt maar de burgt en kost hij niet doen (kan hij niet krijgen). Daarna laat hij dood slaan man en wijf, jong en oud, zelfs jonge kinderen en zuigelingen in de wieg liggend, niet verschonend ( niet ontziend) en daarmee geeft hij de stad en het voorburg zijn soldaten tot prijs, met al dat er is: Hoe die te werk zijn gegaan hebben, kan men gedenken. Alles uitgeplunderd zijnde, werd door het bevel des bisschops het vuur geworpen in de stad in het voorburg welke beide tot de grond toe werden afgebrand, alzo dat er niet en is overgebleven als alleen het kasteel, ’t welk hij wegens zijn vastigheid niet en heeft kunnen overweldigen en verbranden. Evenwel zijn er Scribenten (schrijvers) die verhalen, dat er vuur ook geraakt zoude zijn in het houtwerk des kasteels, ’t welk mede verbrand zoude zijn, blijvende de muren en torens staande. Hoe het zij het kasteel is geraseerd en verdestrueerd (verwoest) op die of op een andere tijd.

Anno 1354 heeft Heer Johan van Arkel, bisschop, een zwaar kasteel laten bouwen te Hardenberg en heeft grote menigte van steen laten afbreken en halen van dat kasteel van Covorden dat Heer Wolbrandt had laten destrueren (afbreken), om te gebruiken aan dat nieuwe kasteel te Hardenberg.

Anno 1395 is Covorden belegerd door bisschop Heer Frederik van Blankenheim wegens zekere oneinigheden gerezen tussen de bisschop en Heer Reynold van Covorden. Doch de burggraaf Reynold heeft afstand gedaan. Covorden gequiteerd mits ontvangen van de bisschop aan contanten 12000 gouden schilden en gedurende zijn leven 600 schilden. Hadde dat oude kasteel nog in wezen (in goede staat) geweest, Heer Reynold van Covorden zoude Covorden zo licht niet gequiteerd hebben en daar zou wederom een bloed vergoten en veel arme mensen gemaakt zijn geworden.

Wat hebben de ingezetenen van Covorden niet geleden en uitgestaan wegens dit kasteel? Maar ten is hier mede nog niet gedaan (hiermee is ’t nog niet afgelopen).

Anno 1414 hebben zich in Covorden opgehouden verschillende voorname vetkopers van Groningen uit de Ommelanden, die van haar wederpartij de Schieringers, verdreven waren, die zich met hun kameraden, ook vetkopers zijnde, haar in Drenthe ophoudende, met elkander beraadslaagd hebben, om Groningen te overrompelen, wat haar toch ook wel gelukt is. Omtrent tot deze tijd toe is aldat land dat nu tegenwoordig hooi en weideland is, komende van Schonebeke en lopende rondom Covorden, en alzo voorts naar Gramsbergen geweest een dijk duister en kwabbig kreupelbos van berken, Elst (elze) en Duchten, krioelend van wilde ganzen, reigers, eendvogels, kranen en koerhoenders. Doch van deze tijd af is dit kreupelbos verhouwen (gekapt) en van de omgezetene inwoners weggehaald en tot brandhout gebruikt. En sedert dit weghouwen dezer struwelen en ander geboomte is dit land alleenlick in Groen en Hooiland veranderd overmits de zon, wind en regen voor het vernielen van dit onprofijtelijk kreupelbos haar operatie beter hebben kunnen doen op landerijen als te vorden.

Kapel van Hulsvoort

Anno 1460 is in zijn pricipale (belangrijkste) fleur geweest de Covorder Kapel tot Hulsvoort, gelegen tussen Covorden en Dalen. In welke de bisschoppen van Utrecht plachten gehuldigd te worden als operlandsheren van de Heerlijkheid van Covorden en zijn annex (en wat er bij hoort).

Doch met het ophouden van de bisschoppelijke regeringen en door de volgende Gelderse oorlog is deze kapel verwoest en de materialen zijn herwaarts en derwaarts versleept.

Nieuwe kerk

Anno 1508 is de principaalste Kerk tot Covorden die in de vorige destructie (verwoesting) van Covorden gestaan had daar nu de Kerk staat en er verbrand was, wederom opgebouwd en vernieuwd en zulks met enige aflaten, daartoe vergund door de paus Julius II, waartoe enige kardinalen en bisschoppen, in faveur van de bisschop van Utrecht, zijn behulpzaam geweest en dit is een schone kerk geweest met steen gewelf, hebbende twee regels pilaren en een hoge toren. Doch op deze plaats is daarna wederom een andere kerk gefundeerd (gebouwd), waartoe de Landschap Drenthe hout, steen en andere materialen verschaft heeft, gelijk dan meer andere daartoe vrijwillige gaven gegeven hebben. En deze kerk heeft gehad een toren van redelijke hoogte en met klokken verzien: doch deze nieuwe kerk is onder Heer Eberhart van Enze, Drost en Gouverneur tot Covorden, geraseerd die een gedeelte daarvan, met aarde gevuld en geschut daar opgeplant heeft tot defensie van de stad en van het kasteel. En op deze plaats is anno 1641 deze tegenwoordige kerk gebouwd.

In deze tijd was Covorden zeer op de bene geraakt en had verwonnen (overwonnen) de veelvuldige destructien en verwoestingen en de ingezetenen zaten in zeer goede doen en daar was grote doortocht van passagiers en kooplieden. De stad lag zeer plezierig midden onder zijn zaailanden en Hoven. Daar nu de zware bolwerken, dwengers en kabelijns en contrescherpen en wijde grachten liggen waar te diertijd of vruchtbare bogaarden en Hoven en korenrijke zaailanden, rondom met Ooft of eikenbomen dicht beplant versiert, alzo dat men op sommige plaatsen de stad niet en zien kon: doch door dat irerative fortificeren( herhaaldelijk versterken) der stad en des kasteel is bijkans niet in zijn vorige wezen gebleven maar alles afgekapt, neergehouwen, omgewroet en veranderd, ’t welk menige welgestelde burger rechtschapen gesmart heeft alzo dat hierdoor sommige oude ingeboren Covordse geslachten zeer in decadentie (verval) zijn geraakt van welke de meeste zijn vertrokken en verstrooid, als geruineerd door zo menigvuldige verbrandingen, plunderingen en verwoestingen.

Hierom zal men heden tendage binnen Covorden niet veel vinden van de oudste ingeboren Covorder geslachten, maar de meeste en voornaamste burgers en ingezetenen zijn sedert de volkomen fortificatie binnen Covorden gekomen en zijn aldaar door haar nering en handel ingeworteld, zittend nu vaster als die oude burgers gedaan hebben : Doch hoe licht kan ’t veranderen. Wat is er doch gestadig, bestandig en onveranderlijk in deze veranderlijke wereld? Als in het jaar 1552 binnen Covorden (uit naam Carolus V, van de vrijheer Georg Schenk) de Heer Frederik van Twicklo gesteld was als commandant, komt Carel hertog van Gelre, berent, belegert en bestormt Covorden in absentie (afwezigheid) van de commandant.

Doch dezelfde in alle haast thuis en op het kasteel komende zendt heimelijk enige waaghalzen in de stad, die door de Geldersen al ingenomen was en door het bevel van de drost werd de stad in brand gestoken en in kolen gezet, alzo dat er maar zes huizen staan blijven. Evenwel bestormen en winnen de Geldersen het kasteel en de commandant Twicklo werd gevangen genomen. De burgers nu, voor ogen ziende haar stad en huizen in de as gelegd en zulks door haar eigen soldaten, zijn zeer op deze zelfden verbitterd geworden en hebben ze gescholden voor een luizige hoop. De Gelderse soldaten dit horende hebben de wegtrekkende bourgondische soldaten, volgens gebruik der soldaten nageroepen “luizige hoop, weg luizige hoop”. En hier komt het vandaan dat men zegt, dat Covorden van een luizige hoop verbrand is. De hertog van Gelderen nu Heer en Meester van Covorden, zijnde heeft het kasteel merklick wederom versterkt, de gracht laten diepen en wijden en de wallen hoger maken: Heeft ook op de fundamenten en oude mureagie (ommuring) van dit oude en verdestrueerde (verwoeste) kasteel een kwartier laten opmaken tot een vertrek voor zijn persoon en officieren en heeft boven de deur het Gelderse wapen laten zetten welk gebouw nog op deze huidige dag wordt genoemd het Ampthyus of Drostenhyus.

Wapen van Hertog van Gelre op gevel kasteel
Wapen van Hertog van Gelre op gevel kasteel

De burgerij van Covorden , blijde zijnde, dat zij nu een reis van de jurisdictie (rechtspraak) van de bisschop, als van een geestelijke Heer ontslagen en anderd Heerschappij van een wereldlijke potentaat gereduceert (onderwerpen) waren die van grote macht was, als zijnde de Hertog van Gelre, Graaf van Zutfen, Heer van Groningen en Ommelanden en Drenthe en vertrouwde, dat zij van dezelfde zodanige gedurige overlast niet zouden lijden, als zij van de bisschoppen geleden hadden: hebben met grote ijver de stad die ganzelijk verdestrueerd was wederom opgebouwd, nieuwe huizen getimmerd en een heel nieuw Covorden opgericht, verhopende in volgende tijden in vrede en rust te leven, doch dit is contrari (tegenovergesteld) afgelopen.

Anno 1529 is binnen Covorden gehouden een vermaarde camparitie en bijsamenkomst van aanzienlijken gecommitteerden van de Hertog van Gelderen, stad Groningen en Ommelanden en de bisschop van Munster om weg te nemen enige verschillen gerezen tussen de bisschop en Ommelanden wegens zekere kerkelijke jurisdicten (rechten).

Anno 1536 heeft de Vrijheer Georg Schenck, stadhouder van Friesland uit naam van Carolus V (Karel de Vijfde) Covorden belegerd als daar binnen commandeerde Heer Johan van Selbach, Gelderse drost van Covorden en de Landschap Drenthe, en overste over zekere Gelderse troepen. En hoewel de commandant Garnizoen zich manhaftig verweerden, zo zijn zij nochtans door gebrek aan verscheidene zaken genoodzaakt Covorden in de winter op te geven: en in deze belegering is de stad Covorden wederom zeer geschend en schadeloos gemaakt. En hiermee krijgt Covorden wederom een ander nieuwe Heer, zijnde de machtige potentaat van gans Christenrijk.

Te dezer tijd hebben tot Covorden gestaan 5 geestelijke personen, ter tijd des pausdoms naemlijk een pastoor, en vier vicarisen of kapellanen.

Anno 1541, de 4e augustus V( Karel de Vijfde) tot Brussel bij openen verzegelde brief verklaard: mits de schepenen, gemene burgers en inwonenden der stad Covorden belofte ontvangen hadden van de Heer Georg Schenck, keizerlijk stadhouder, als bij die zelfde keizers naam gehuldigd werd, dat de stad Covorden blijven zou bij hare privilegien etcetera. Dat hoog gemelde zijne keizerlijke en koninklijke majesteit overdenkende, dat die van Covorden in korte jaren 3 male verbrand ware, de Covorder Privilegien, vrijheden STADSRECHTEN, handveste gebruiken en usantiën niet alleen hebben willen confirmeren ( bevestigen) en ratificeren (bekrachtigen). Maar daarenboven, uitmeerder gratie van de stad, te vergunnen en te octrojeren, dat ze alle jare mochten publiceren, houden en hebben 3 vrije jaarmarkten, elk vier dagen lang : de eerste maandag voor Pinksteren: De 2e Odulphi na Pinksteren : De 3e op Egidi. Deze originele brief berust nog onder de stadsschriften.

Oorkonde stadsrechten Coevorden
Oorkonde stadsrechten Coevorden

De Spanjaarden komen

Anno 1568 in Juli is duc d’Alba gekomen binnen Covorden en aldaar bezichtigd en op alles orde gesteld hebben is vandaar verreist naar de Ommelanden, vervolgende Graaf Lodewijk van Nassauw.

Alzo nu enige tijd lang hier na namelijk in ’t jaar 1579 een Generale Unie tot Utrecht, onder enige provincien aangevangen was en bevorderd werd, zo is Covorden gereduceerd en onder ’t gebied der H.M.H. Staten Generaal. Waarom Prins Willem van Nasauw aan de overste Diderik Sony, en Capitein Cornput last en commissie gegeven heeft om Covorden te fortificeren, doch dit is flauwelijk afgegaan en al willens verzuimd ’t werk is daarna hervat en is daarna blijven steken. De graaf van Hohenlo nu op de Hardenbergse heide van Marten Schenck verslagen zijnde en geen andere krijgsmacht binnen Covorden zijnde als enige soldaten onder Capitein Cornput, zo begeeft zich Schenck met zijn krijgsmacht naar Covorden: Doch al wat binnen Covorden is loopt daaruit. Daarop komt Schenck en neemt Covorden in voor de koning zonder slag of stoot.

In deze tijd werden zeer vele acten van hostiliteit (daden van vijandschap) gepleegd tussen de stad Zwolle, die Staats was en Covorden dat Spaans was: Die van Zwolle kwamen somtijds onder Covorden en haalde gevangen en dreven weg paarden en beesten; en dit deden die van Covorden wederom onder Zwolle. En dit geschiedde als Heer Eberhardt van Enze, Drost en Commandant van Covorden was: doch alzo enige Covorder soldaten daarna onder Zwolle al te grof gemaakt hadden en zij daarover gevangen en opgehangen werden, zo cesseerden (hielden op) deze excursies. Kort daarna werd Covorden wederom belegerd en ingenomen door de graaf van Hohenlo en wederom gebracht aan de Staten zijde. In deze belegering werd graaf Wilhelm L. van Nassau in zijn been geschoten.

Coevorden als kaatsbal

Doch also de graaf van Hohenlo Covorden niet wel verzorgd had werd Covorden wederom verloren en door de graaf van Rennenberg voor de koning ingenomen. In summa (samengevat) Covorden gaat over en weer gelijk een kaatsbal, welke wandelt van de ene hand in de andere. In deze tijd heeft Rennenberg een begin gemaakt om de stad Covorden te fortificeren, die te die tijd weer open lag als een vlek. Maar toen hadde geen voortgang.

Anno 1585 komt Verdugo met zijn Spaanse leger logeren dicht onder Covorden op de Hoge Loo en maakt zich gereed om een inval te doen in Friesland.

Anno 1592 is Covorden belegerd van Zijne Excelentie Prins Maurits van Oranje: Daar binnen commandeerde graaf Frederik van de Berge. De stad en ’t kasteel waren van alles wel voorzien. Het Spaanse garnizoen stak de stad in brand die voor zeventig jaar van nieuw wederom opgebouwd en inmiddels zulke zware stormen uitgestaan had: en hoewel Verdugo grote moeite deed om Covorden te ontzetten zo was het doch alles tevergeefs: want de 2e september anno 92 (1592) gaf het zich over aan de Prins: en is nooit sedert die tijd aan de Spaanse zijde wederomme gemaakt.

Verovering Coevorden door Staatse troepen onder leiding van prins Maurits 1592
Verovering Coevorden door Staatse troepen onder leiding van prins Maurits 1592

Anno 1593 in October heeft de Spaanse generaal Verdugo tot grote verwondering aller mensen, Covorden met een grote krijgsmacht belegerd . En heeft de ganse winter om Covorden met de belegering uitgehard alzo dat zijn meeste volk door regen, koude en ongemak aldaar als sneeuw versmolten is. Doch anno 94 (1594) in ’t einde van april is Covorden door de staten leger en den Prins Maurits ontzet en Verdugo voor de prins gevlucht. anno 1597 is dat grote en heerlijke werk van de fortificatie der stad en kasteel tot Covorden met ene grote ijver en onkosten aangevangen en opgemaakt en’t gene daar nog aan mankeerde is anno 1607 volkomen voltrokken. En dit werk heeft niemand meer beijverd als zijn G. Graaf Wilhelm Ludwich van Nassau en zulks tot bevrijding van de Landschap Drenthe, desgelijks van Friesland, Groningen en Ommelanden. Voor deze fortificatie waren tot Covorden drie poorten, namelijk de Twentse poort in het Zuiden van de stad, de Zwolse poort in ’t Westen en de Drentse in het Noorden, doch deze zijn in twee poorten gereduceerd (teruggebracht) en de stad is vergroot en uitgelegd.

Anno 1605 als Spinola Oldenzaal en ander plaatsen ingenomen had, is prins Maurits met zijn G. Graaf Wilhelm en een merklicke krijgsmacht gekomen binnen Covorden om Spinola op te wachten: en in deze tijd zijn in de twintig Compagnieën gelegd binnen Covorden ’t welk grote neringe aldaar veroorzaakt heeft. Enige jaren hierna is ’t gebeurd, dat enig Spaans volk een inval in de Covorder Mersch of Weylande gelegen dicht onder Covorden als daarbinnen commandeerde Quirijn de Blauw en haalde daaruit een goeie partij koeien en paarden en dreven daarmede weg, ’t welk te dien tijd doenlijk en kwalijk te beletten was vermits deze voortslanden nog niet gebroken, noch met sloten, wallen en heiningen voorzien waren.

Anno 1637 is een zeer felle pest geweest binnen Covorden, die lang geduurd heeft en veel mensen weggerukt heeft, overmits de inwoners zo na aan malkanderen wonen en de stad doorgaans vol volk gestopt is.

Anno 1640 is ’t begin van de mei is Zijn Hoog. Br. Excellentie Hendrik van Nassau, stadhouder gekomen binnen Covorden en heeft alles aldaar bezichtigd.

Bouw van de nieuwe kerk

Anno 1641 is dat fundament gelegd van dat heerlijke gebouw en structuur, der tegenwoordige kerk tot Covorden. De directeurs of bewindhebbers, die de directie over dat werk gehad hebben zijn geweest de Heer Burgemeester Arnold van Loo, Werner ten Broeke, Jan Onias, Bernhard Bertelink, Reynert Dirckson, Brumpt en Herman Mesmaker, welke gene geringe moeite, arbeid en zorge uitgestaan hebben tot dat dit lofelijke werk voltrokken is. En deze tegenwoordige Kerk is nu de vierde kerk die op de deselvige plaats gestaan heeft, daar men memorie en bericht van heeft, hoewel daar grote pregnante (meer dan één) redenen zijn te geloven dat op deselvige plaats, voor deze vier kerken nog een vijfde geweest zij, alle door de oorlog verdestrueerd.

Nederlands Hervormde kerk
Nederlands Hervormde kerk in Coevorden

Anno 1649 de 21 mei is op de groote sael des kasteels tot Covorden, door het wijze beleid van den Hooch Edel Gestrenge Heer Rutger van Boitzelaar, als Landt Drosten en door naarstige arbeid van den Heer Jacob Schickhart, dat langdurig Proces dat tussen de stad Covorden en de Marck-Genoten van Dalen, omtrent honderd en dertich jaren geduurd had aangaande haar beider Marck-Scheydinge. In voegen dat beide partijen daar in geacquisteert (verworden) hebben.

Archeologische vondsten

Anno 1650 in Juli is mij binnen Covorden vertoont een olifantstand zijnde van mijne twaalf spannen lang gevonden in de aarde en zand tussen Covorden en Hardenbergh: zijnde van binnen nog gans gaaf en vast, maar zwartachtig: zijnde een teken dat hij vele honderden van jaren aldaar in de aarde gelegen heeft: ja honderden van jaren voor en aleer men her van olifantstanden geweten of de selvige uit verre landen herwaarts gebracht heeft: Also weet ik ook dat omtrent de jaren 1615 of 16 niet ver van Burg Steinvordt in eene diepe Mergel of Kleikuil gevonden is eenen oprechten genaamden Eenhoorn, waarvan het grootste gedeelte geraakt is naar Munster, maar de rest in stukjes gezaagt is onder verscheidene verdeelt. Hier uit zou men presumeren (veronderstellen), dat in zeer oude tijden eer deze landen met inwoners gepeupleert (bevolkt) geweest, zulke dieren hier in deze wildernissen en oneindelijke dikke en duistere wouden ook onthouden hebben (zich hebben opgehouden) en zulks voor de algemene Diluvie Noachs, aangezien ik weet dat op vele plaatsen zeer diep uit de aarde en klei groote en kleine Hertshoornen zijn gegraven zijnde een bewijsreden dat die dieren met aarden en zand gedreven door de ongestuime baren des waters zijn bedekt en overstolpt geworden benevens ander kreaturen welker reliquien (overblijfselen) lichtelijker hebben konnen vergaan. En dit werd verstaan van zodanige dieren, die op ’t Lant wonen: maar aangaande reliquien van zeemonster die in die Divluvie op ’t Landt gedreven zijn daarvan vind men overal reliquien in abontie (overvloed) gelijk ik ze ook gezien heb alhier tot Covorden, gegraven uit diepe sloten zijnde rechte tanden van Zeemonsters. Doch vermits den gemenen man van deze Antiquiteten geen kennis heeft zo worden van hen zodanige zaken niet geacht en daaraan (daardoor) komen veel waardige (wetenswaardige) dingen niet ten voorschijn.

Covorden dan is tegenwoordig een van de allersterkste fortressen die men elders in een land zou mogen vinden zowel wegens zijne zware en hoge en vaste dwengers (Bastion), Bolwerken, Kabelijns, Contrescherpen, wijde en diepegrachten een uur gaans in ’t ronde begrijpen als ook wegens de natuur der plaats waar in deze machtige fortresse gelegen is. Want Covorden is wel gebouwd op zandgrond maar nochtans rondom met Moerassen omsingelt en daarmede gelijk al uit de natuur gefortiviceert die haar van Covorden Oostwaerts uitstrekken en tot aan den Dollart, en Westwaarts diep in Overijssel en enige van deze moeren zijn wel buiten met enige groente (gras) bewassen maar zijn onder week bedrieglijk los envoor mensen en paarden impossabel (onbegaanbaar). Ook moeten de landerijen gelegen om Covorden, altijd ontvangen diverse wateren en rivieren die uit ’t Sticht Munster uit de Graefschap Bentheim en uit de Drenth naar Covorden vleijen (stroomden) en aldaar gelijk in een Blase vergaderen en Covorden wonderlijk versterken zonder dat dit door enig middel kan belet worden. En alzo gebeurt ’t dikmaals dat door een middelmatige regen ’t zij dat hij gevallen zij omtrent Covorden; of in ’t Sticht Munster, of elders Covorden rondom in ’t water staat niet anders als een Eiland: Gelijk vaak dit de oorzaak is dat de groote doortocht, passagie en Commercie die voortijds uit ’t Sticht Munster, Graefschap Bentheim, etcetera door Covorden naar Groningen placht in zwang te gaan nu cescessert (ophoudt) en op Zwolle gediverteert (omgeschakeld) is.

Vesting Coevorden rond 1850
Vesting Coevorden rond 1850

Voorts bestaat Covorden uit een stad en Kasteel of Burgh. De Stad is gefortificeert met zeven zware dwengen (Bastions) genoemt Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen. Heeft een zeer groot proviandhuis waar in alle voorraad van Proviandmeester Waldrijck Does, Oudt Burgemeester. Is mede voorzien met een machtige Ammunitiehuis bestaande uit verscheidene gebouwen gestopt en gepropt vol allerhande wapenen ammunitie en materialen, suffisant (voldoende) om een landurige belegering uit te staan; waarover de opzicht heeft als commissaris Nicolaas van ’t Hof, tegenwoordig ook Burgemeester. Het Kasteel is uitermate sterk en naar aller mensen oordeel onoverwinnelijk gebouwd op de oude zudera (radementen) en vervallene ruinen des te zeer ouden Burghs die daar vele van honderden van jaren gestaan heeft is zeer hoog en commandant over de ganse stad: is verzien met 5 zware en hoge bolwerken welke eersten fundamenten gelegd heeft den vermaarde Spaanse krijgsoverste Verdugo.

Heeft mede zijn eigen proviandhuis onder de opzicht van den Proviandmeester Johannes Wijchers, als ook nette quartieren en Logementen voor enige Compagnien soldaten. Is mede verdeer met een Huis van de Generaliteit gebouwd tot een woonplaats des Gouveneurs die het commando heeft over de ganse Militie zowel binnen Coevorden als de buiten gelegen schansen. Doch boven dit alles heeft de Landschap Drenthe op dit kasteel haar Landschapshuis zijnde een oude woonplaats der Burggraven van Covorden en Land Drosten van Drenth, op welke de heren van de Landschap bij gelegenheid haar vergaderingen en samenkomsten houden.

Volgen de namen der Commandanten, die sedert de burgelijke regering als Gouverneurs over de Militie binnen Covorden het commando gehad hebben:

  • De heer Frederik van Twicklo, een edelman uit het Sticht munster is tegelijk Drost van Covorden en van de landschap Drenthe geweest. Gouverneur over zekere burgelijke troepen, gedestineerd tot tegenstand van de hertog van Gelre.
  • De heer Johan van Selbach, een Hoog-Duits edelman zijnde zeer geleerd en in de wapens zeer geoefend, is onder heerschappij van de hertog van Gelre geweest. Drost van Covorden en de landschap Drenthe en gouverneur over een goede partij Gelders krijgsvolk.
  • De heer Eberhart van Enze, Drost van Covorden en de landschap Drenthe en Gouverneur van Spaans krijgsvolk, liggende in her garnizoen van Covorden.
  • Johan van Cornput, Kapitein en zeer expert Ingenieur.
  • Graaf Frederik van den Berg, een dapper en briljant krijgsman, Gouverneur over de militie van Covorden onder de Koning van Spanje.
  • Kasper van Ensum, Here van Nijen-oort, is eerst geweest kapitein, daarna voor een tijdlang Gouverneur van Covorden en eindelijk Overste over een regiment Infanterie en Landdrost.
  • De heer Quirijn de Blauw, geboren in Overijssel, geweest zijnde in de slacht van Vlaanderen en in ’t beleg van Oostende en in verscheidene andere zware expedities, is wegens zijn brave en loflijke feiten gesteld tot Gouverneur over de Militie van Covorden.
  • De heer Johan van Renesse een edelman uit het stichts van Utrecht is verordonneerd tot Gouverneur van Covorden.
  • De heer Bepke T. van Starckenburgh, een edelman uit de Ommelanden in Nederlandse en Duitse oorlogen wel vervocht, is daarna geworden Gouverneur van Covorden.
  • Dezen is gevolgd de heer Balthazar van Bijma, een edelman geboeren uit ‘d Ommelanden, deze zich enige tijd in de wapenen hebben geoefend, heeft van het jaar 1629 tot 1634 de hoogste Militaire gezag in Brazili gediend en vele lolijke exploties tot bijzonder profijt en tevredenheid der West-Indische Compagnie, aldaar verricht. Is daarna hier te lande van zijn Hoogheid in verscheidene gelegenheden en kwaliteiten naar voren gebracht en in het jaar 1646 Kolonel en Gouverneur van Covorden geworden. Deze is overleden te Groningen, 16 juli 1658.
  • De heer Wigbold van Broersema, een edelman uit de Ommelanden, heeft een tijdlang zijn Hoogheid Prins Frederik Hendrik gediend als kameredelman en daarna een tijdlang het land gediend als Kapitein en verder als Overste-Luitenant, is eindelijk in het jaar 1659 tot Gouverneur van Covorden aangesteld.

In Coevorden liggen nu ten tijde in Garnizoen een Compagnie te paard en zes te voet, waarover het commando hebben de navolgende heren:

  • Capitein W. van Broersema, Overste-luitenant en Gouverneur De heer Tarquinius van Solckama, Kapitein Majoor en Commandant.
  • Luitenant Henrich van Echter
  • Capitein Antony Polman
  • Capitein Diederik van Altarda
  • Capitein Johan van Burum
  • Capitein Tjaart van Eeck.
  • De Here Zeboath breide zijne vleugelen uit over de stad Covorden en alle deszelfs goede ingezetene.

Einde.

Dr. Johan Picardt