Tab Gemeente Coevorden
Terug naar zoeken
Rozenplein

Coevorden, mijn jeugd; A.L. ter Beek

Type:
Collectie
Kern:
Coevorden
Kenmerken:
Gebeurtenis
Periode:
Na-oorlogse periode tot 1997

Speech van de heer A.L. ter Beek, lid Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid

Meneer de slotvoogd, heren assesoren, dames en heren,

Ik moet u zeggen dat ik een paar problemen heb met deze spreekbeurt, met het onderwerp, Coevorden, mijn jeugd. Niet dat ik bang zou zijn voor de afdeling jeugdsentiment, maar jeugd in Coevorden is geen afgesloten hoofdstuk, ik heb er nog altijd mee te maken, want tenslotte woon ik hier nog altijd, en gelet op mijn huidige leeftijd zou ik net zo goed kunnen spreken over Coevorden, mijn middelbare jaren. Maar wat het voor mij nog een beetje moeilijker maakt, ik moet een toespraak houden in tien minuten. Nu praten politici over het algemeen altijd al lang, maar als ik over Coevorden aan het woord kom, dan weet ik niet of ik dat in tien minuten red. Ik zou er uiteindelijk wel een boek over kunnen schrijven, en misschien dat ik dat ook nog wel eens een keer doe, tenzij Huib Minderhoud me weer eens een keer voor is geweest. Ik heb nog een derde probleem en dat is dat professor Buist heeft gevraagd om min of meer objectiverende beschouwingen. Nu, dat lukt me niet. Ik kan niet objectief over Coevorden spreken en ik zeg u dus ook bij deze dat in mijn verhaaltje ook niet het geval zal zijn. Coevorden is een deel van mezelf en daar kan en wens ik zelfs niet objectief over te praten. 

Tuindorp

De slotvoogd heeft in zijn introductie al gememoreerd dat ik op het Tuindorp geboren ben. Tuindorp, aan het eind van de oorlogsjaren, honderd huizen, overzichtelijk genummerd van 1 tot en met 100. Ik was dus geboren en woonde op Tuindorp 18 en dat Tuindorp had eigenlijk alle kenmerken van een klein dorp. Iedereen kende iedereen. Maar dat Tuindorp, honderd huizen, had toch een kruidenier, een groenteboer, een melkboer, een kapper en zelfs een schoenmaker, op nummer 100, Reins. Dat Tuindorp, honderd huizen, kende toch ook al weer zijn verschillen. Later heb ik ooit eens geleerd dat je zoiets dan sociale stratificatie moet noemen, maar dat waren gewoon sociale verschillen die zich daar op dat Tuindorp ook voordeden. Wij woonden vooraan in het Tuindorp, aan de Looweg, tegenover Diekema, met een speeltuin. Een zichtbaar litteken op mijn scheenbeen is nog altijd een aandenken aan het feit dat ik daar ooit eens een keer van het tenminste drie meter hoge hobbelpaard ben gevallen. Dat was dus aan de Looweg, maar achteraan op het Tuindorp daar was het toch wel weer wat minder. Dat heette dan ook de Achterstraat. Aan het begin van de vijftiger jaren kwam er het nieuwe Tuindorp, met witte huizen, Jeruzalem heette dat al gauw en toen ging het Tuindorp het “Oude Tuindorp” heten. Het karakter van het oude Tuindorp is eigenlijk niet zo erg veranderd. Het is en bleef vooral een arbeiderswijk waar overigens een zeer maatschappelijk bewuste bevolking aanwezig was. Want dat Tuindorp heeft heel wat matadoren in de lokale politiek voortgebracht.

Politiek milieu

Ik noem Donker, Grootoonk, Ten Hoonte, Stuiver, Muller, Kruk, allemaal socialisten, maar ook raadslid en later wethouder Hemel, kwam van Tuindorp. Hemel was afkomstig uit de KAB, de Katholieke Arbeiders Beweging, maar zoals Evenhuis al zei hij was toch in eerste plaats katholiek en daarom KVP. Maar ook vanwege dat arbeidsverleden paste hij heel degelijk op dat Tuindorp. Mijn jongste jeugd beleefde ik dan ook in een politiek bewust milieu. Mijn vader was voor de oorlog ooit nog eens een tijdje raadslid voor de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij), werd actief in de PvdA, en vooral ook voor de VARA (Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs). Tot aan zijn dood is hij secretaris geweest van de Coevorder afdeling van de VARA. Mijn moeder was actief in de vrouwenbond. En dat betekent eigenlijk dat ik in een soort milieu opgroeide waar politiek heel gewoon was. Waar het erbij hoorde, waar het vanzelfsprekend was en dat betekende dat ik als klein jongetje al meeging met mijn vader naar spreekbeurten die hij hield in de omgeving, naar feestavonden van de VARA, naar 1 mei – bijeenkomsten. Vandaar ook dat ik als klein jongetje ook al rode tulpen verkocht voor een dubbeltje per stuk. Bij ons thuis werd het Vrije Volk gelezen, er werd naar de VARA geluisterd, de grote boodschappen werden gedaan bij de coöperatie. Kortom, ik groeide op in wat dan heet een rode familie. In het verzuilde Nederland was ook Coevorden verzuild, en ik ben dan een product van een deel van die verzuiling, een product van de rode-familie. Ik ben opgegroeid met de rode bril van Evert Vermeer, met beschouwingen van Meijer Sluiser. U weet nog wel dat hij altijd sprak op zaterdagavond om kwart over zes, twintig over zes en dan hield hij een doorwrochte beschouwing over de wereld en dan eindigde dat meestal zo: “alles samenvattend geloof ik toch dat de situatie in de wereld niet best is, ik wens u smakelijk eten, goedenavond luisteraars”. Nu daar ben ik mee opgegroeid en dan natuurlijk Voskuil op zaterdagavond, het commentaar van Voskuil na VARA’s showboot van Karel Prior die laatst hier nog langs is geweest bij de burgemeester, voor een andere omroep weliswaar. 

De zaterdag

En de zaterdag, ja die herinner ik me ook altijd als de wasdag. Zaterdag, dan moest ik in bad. Daar moet u zich geen overdreven voorstellingen bij koesteren: een bad hadden we toen gewoon niet. Ik moest in een teiltje, want dat gemeentelijke badhuis aan de Haven dat kwam pas later. Een douche stond toen niet op het Tuindorp, en ook geen toilet trouwens, we hadden nog een tonnetje. En dat werd altijd braaf opgehaald door de gemeentereiniging en onze achterbuurman Wessel heeft aan die activiteit zelfs nog een bijnaam overgehouden, die bij de echte Coevordenaren wel bekend is, maar die ik vanwege het openbare karakter van deze bijeenkomst maar niet zal vermelden.

Bijnamencultuur

Terzijde even een klein uitstapje. Coevorden is natuurlijk geweldig bekend geworden vanwege zijn bijnamencultuur. De bijnamen waren wijdverspreid. Ook ikzelf ben er niet aan ontkomen, want ik heb op een gegeven moment de bijnaam Knelis Eenoor gekregen, en dat kwam eigenlijk alleen maar vanwege het feit dat wij een kostganger in huis hadden, een verzekeringsagent, en die had één oor. Toen werd ik dus Knelis Eenoor. Mijn broer Henk heeft de bijnaam Centje gekregen, maar dat was eigenlijk een verbastering van Sintje en dat kwam weer omdat mijn vader altijd voor Sinterklaas speelde onder andere bij B. en H. (Bade en Huttinga). En een fantastische bijnaam zal ik dan toch maar noemen want die heeft later ook nog een politiek rol gespeeld, dat was de bijnaam die de al eerder genoemde Kruk had, de Bukk’n. Kruk namelijk, die kreeg een keer ruzie met de PvdA en vormde toen zijn eigen lijst voor de gemeenteraad en verscheen toen met de leus: “’t zal wel lukken met de bukk’n”. En ik kan u verzekeren: hij is gekozen.

Parkschool circa 1950
Parkschool circa 1950

Parkschool

Over naar mijn schooltijd. De kleuterschool, daar heb ik geen grote herinnering aan. Ik ben er ook maar tweeënhalve dag geweest. De kleuterschool was toen in dat oude gebouw waar voor de oorlog de familie Roos heeft gewoond, daarna Spijkman en nu zit er geloof ik iets van een veiligheidsdienst in of zo. Nu daarachter was een kleuterschooltje, maar nogmaals, daar heb ik het maar tweeënhalve dag volgehouden. Vervolgens naar de Parkschool en daar heb ik heel wat meer dierbare herinneringen aan. Juffrouw Wolbers was mijn eerste juffrouw daar in de eerste klas. Ik weet nog steeds dat mijn moeder met mij daar aankwam en vol trots vertelde: “Ja, Relus kan al rekenen, hij kan al sommen tot twintig”. Dus, juffrouw Wolbers, ik hoor het haar nog vragen,: “Hoeveel is 8 en 3?” Ik wist het absoluut niet op het moment. Daarna kwam juffrouw Harms, meneer Drenth.

Jeugdwielerronde

Ik ben door de Parkschool ook nog eens naar een kindervakantiekolonie geweest. Zes weken om wat aan te sterken. Ik kwam terug en vier dagen later had ik een hersenschudding, want toen was ik gevallen tijdens de jeugdwielerronde van Coevorden. Ik zal ook dat nooit vergeten. Ik reed op een damesfiets met een handrem, zo’n blokje dat voor op de voorband drukte. Ik had ook nog een andere handicap: als ik scheef ging dan liep de ketting eraf. In de eerste de beste bocht vergat ik natuurlijk al dat ik niet door mocht trappen, dus: ketting eraf en prompt al een halve ronde achter bij de eerste doorkomst. Een geweldige inhaalrace gestart, en toch nog een premiesprint gewonnen. Dat was een ijsco van een kwartje, een choco-tip beschikbaar gesteld door IJsco Wessel, van de Markt. En vervolgens ben ik dan toch de bocht uitgevlogen bij de hoek Aleida Kramersingel-Aleida Kramerstraat. Dokter de Vries heeft mij met een omzwachteld hoofd naar huis gebracht en ja, dat was het dus. En Van Herpe’s krantje wist te melden, ook toen al niet altijd even correct met de waarheid omgaand, dat ik als vierde geëindigd was, maar dat kwam omdat ik rugnummer vier had gehad, en dat terwijl ik de race overduidelijk niet gefinisht had.

Overigens, de oorsprong van die jeugdwielerronde zit in allerlei relletjes die toen in de vijftiger jaren hier plaats vonden. Er werden van die wilde rondes gereden op het terrein aan de haven, op het nieuwe Tuindorp. Dat werd verboden. Resultaat: allerlei opstootjes in de stad. Aan die opstootjes is nog altijd de legendarische naam van agent Jopie Achterstraat verbonden, die gezeten in zijspan zonder aanziens des persoons menig succesvolle charge uitvoerde.

Hogere Burger School

Terug naar school. Eén man is wel van héél bijzondere betekenis geweest, en dat is meneer Zwitsers. Het hoofd van de school. Want ik denk nog wel eens dat ik zonder hem waarschijnlijk nooit op de HBS (Hogere Burger School) terecht zou zijn gekomen. Bij ons thuis was het zeker geen vetpot. Vijf jaar HBS, dat leek mijn ouders toch wel wat teveel te zijn. Toen heeft Zwitsers gezegd dat het toch zonde zou zijn om die jongen naar de ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs) te doen. “Stuur hem nu maar naar de HBS, drie jaar HBS is minstens zoveel als drie jaar ULO”. Zwitsers heeft natuurlijk toen al geweten, dat als hij hem eerst maar op die HBS zou krijgen dat hij die drie jaar wel vol zou maken en daarna die vijf jaar ook wel. Nu zo is het gegaan, en tot mijn grote vreugde zie ik dat hij in de zaal zit, en ik wil hem vanaf deze plek nu eens een keer bedanken voor wat hij toen voor mij gedaan heeft. Zo ben ik op de HBS terecht gekomen. Natuurlijk wel een wat ander milieu, dan waaruit ik afkomstig was, maar gelukkig had ik nooit echt problemen. Op de Parkschool zaten al vriendjes en vriendinnetjes voor wie het allemaal heel normaal was dat ze naar de HBS gingen en met hen heb ik een band gehouden. Op die manier is mijn overgang misschien wel wat makkelijker geworden. Ik heb mijn weg dan gelukkig ook wel weten te vinden.

Maatschappelijk bewustzijn

Albert Jan Evenhuis maakte al melding van het feit dat ik inderdaad voorzitter van de leerlingenvereniging ben geworden, wat natuurlijk toch vrij uitzonderlijk was voor iemand van het Tuindorp. Wat die middelbare school vooral voor mij heeft betekend is dat ik daar echt bewust ben geworden van maatschappelijke ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Mijn ouders moesten ploeteren en sabbelen, zoals wij dat zeiden. Mijn vader, gepensioneerd, trok van Drees, verdiende nog wat bij, liep met een busje van het Koningin Wilhelminafonds, de Kankerbestrijding, en was kaartjesverkoper bij Germanicus. Mijn moeder was werkster bij de leraren die ik had op school, op het nieuwe Tuindorp. Ikzelf moest altijd een zeven gemiddeld halen, dan waren de boeken vrij, en dan kreeg je een bijdrage uit het gemeentelijk studiefonds, f 250,- per jaar was dat toen. Dus eigenlijk ben ik in die jaren in zekere zin ideologisch gevormd omdat ik altijd het gevoel heb overgehouden, hier klopt iets niet, hier deugt iets niet, dit is niet eerlijk, het is onrechtvaardig. Als men mij dan vraagt wat is die prikkel geweest die jou tot de politiek heeft gebracht, dan geloof ik, dat los van mijn eigen achtergrond, van mijn eigen milieu, dat dat aspect toch heel belangrijk is geweest.

Trots

Een van de laatste vragen die we voorgelegd kregen was: wat is nu de betekenis in negatieve zin en in positieve zin, wat zijn de voor-of nadelen van het opgroeien in een kleine perifere stad als Coevorden. Nou, ik waag me er niet aan, om op die vraag een antwoord te geven. Ik wil liever op een andere manier eindigen. Het werk van mij brengt me nogal eens in het buitenland, en daar betrap ik mezelf altijd op het feit dat ik vol trots over Coevorden praat en dat ik dan nooit kan nalaten om uit te leggen dat Coevorden in het Engels Oxford is. En als we nou allemaal weten welke grote intellectuele geesten Oxford heeft voortgebracht, dan weet u wat Coevorden voor mij betekent.